Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



dinsdag 24 december 2013

Eindejaarsbericht Allerhande maar vooral literatuur 2013


Aan alles in dit leven komt een eind, dus ook aan het jaar 2013. Na mijn laatste artikel voor mijn blog over Marie, die ik als de mooiste roman van het jaar koos en dit Eindejaarsbericht ga ik de komende dagen verder met mijn roman die, heel toepasselijk voor deze donkere dag, In die grote sterrennacht gaat heten en die ik volgend jaar wil inleveren voor de Vijfde Haarlemse Debuutprijs.

Ik moet zeggen dag het de afgelopen jaren niet meeviel om zowel een blog bij te houden als aan een roman te werken. Er gebeurt zoveel in de wereld dat vraagt om begrepen te worden en daarvan melding te maken (twee zaken die nauw verwant met elkaar zijn), dat het de ruimte beperkt om ook nog eigen gedachten te ontwikkelen. Een roman vraagt nu eenmaal veel ruimte in het hoofd om het verhaal zichzelf verder te laten breien. Dat lukt niet als er teveel andere informatie in rondzweeft.

Aan het begin van dit decennium stelde ik me de opdracht om de tijdgeest te vangen, maar ik zie in dat ik me daarmee een schier onmogelijke opdracht gesteld heb. Nu ik daar een paar jaar mee bezig ben, zie ik in dat de wereld voor geen gat te vangen is. Ontstaat er ergens op de wereld hoop op verandering (OekraIne), dan wordt die elders weer afgebroken (Egypte, om van Libië of Syrië maar te zwijgen).

The affairs of the world will go on forever, liet Easwaran op 2 september j.l. wijselijk weten. 

Ik wil niet klagen, maar ik vraag me soms wel eens  af waarom wij mensen niet gewoon kunnen ophouden met alle kortzichtigheid en dwaasheid en elkaar in plaats daarvan het licht in de ogen gunnen. Het leven is zo verschrikkelijk kort als je het over de lange termijn bekijkt. Waarom dan alle ongelijkheid, niet alleen in ons eigen land maar over de hele wereld, een proces dat sinds de jaren negentig verder gaat. De kloof wordt steeds breder, hetgeen vanuit de kritische jaren zestig en zeventig een gotspe is. Is er dan niets dat de geldwolven tegenhoudt?  

Joost van den Vondel beschouwde de wereld al als een schouwtoneel, waarin ieder zijn rol speelt en zijn deel krijgt - het goede dan wel het slechte - daarover heeft men over het algemeen weinig te zeggen. Wel kan men over dat schouwtoneel reflecteren, analyseren hoe de wereld in elkaar steekt, hoe macht en onmacht met elkaar samenhangen. Dat was het studieterrein van de Frankfurter Schule, de maatschappijkritische richting waarin ik ben opgeleid en waar ik nog steeds voor honderd procent achter sta. De onderliggende vraag van Horkheimer c.s. was hoe een betere wereld naderbij kon gebracht worden, welke de psychologische en sociologische belemmeringen daarbij waren.

Ik bedacht begin november j.l. dat ik een roman met mijn blog kon combineren. Zei Jeroen Brouwers niet laatst dat het onderwerp altijd dichtbij lag? Zijn latere romans gaan steeds weer over een misantrope alcoholist in het bos. Ook ik kon alles wat op mijn pad kwam inzetten in mijn roman. Dat doe ik ook. Elke dag opnieuw komen er meerdere zaken langs. Ik zie een documentaire, die me boeit, ik ontdek een filmregisseur of een schrijver, van wie ik het oeuvre wil kennen. De wereld is een schouwtoneel waarop elke dag weer heel veel gebeurt. Aan de beschouwer om de krenten eruit te halen, zowel de waarheid als de schoonheid.
 
Misschien kunnen we aan de waarheid ook de schoonheid toevoegen, want wellicht is dat uiteindelijk hetzelfde, zoals Juliette Binoche verwoordde in een portret door haar zus Marion gemaakt. Kunst en politiek zijn maar woorden. Daarachter is alles één.

En hoe gaat het met de literatuur in de wereld? Ook die deint mee op de golven van de tijd. Boekwinkels worden gesloten - zoals onlangs nog Het Verboden Rijk in Roosendaal - en de concurrentie met andere media wordt sterker. Ik haal er een element uit. Anthony Mertens schreef in 1996 in De Revisor 23 een artikel met de cynische titel Playboy als proeftuin voor de literatuur. Het was een reactie op een artikel van literatuurcriticus Jaap Goedegebuure in HP/De Tijd, waarin die schreef dat het literaire tijdschrift niet meer van deze tijd is. Het literaire debat wordt in de kranten wordt gevoerd en bladen als Playboy nemen de plaats van de literaire tijdschrift in. Anthony Mertens stelde daar tegenover:

‘Het literaire debat wordt bepaald door de kranten, maar de vraag is of het daar nog om een debat gaat, waar inhoudelijke literaire kwesties aan de orde worden gesteld. Daarvoor zou geen groot publiek zijn, constateert hij (Jaap Goedegebuure rs.) zelf al (..). ‘Een dergelijke opvatting laat zich inderdaad rijmen met Goedegebuure's mededeling dat het gros van de literatuurliefhebbers (99 van de 100, schrijft hij zelfs) zich voornamelijk door talkshows laat informeren en door af en toe eens een diagonale blik te werpen op krantenpagina's waar de recensies zijn te vinden. Zo'n opmerking is op zijn beurt voor tweeërlei uitleg vatbaar: literatuurliefhebbers zijn geen liefhebbers van literatuur (maar van televisie en de sportpagina) of literatuurliefhebbers zijn geen liefhebbers van talkshows en supplementen en literaire bijlagen, ze kiezen en lezen hun literatuur zelf (en sommigen wellicht hun literaire tijdschrift), ver van het mediaspektakel. Met andere woorden, zou de stelling van Goedegebuure niet moeten hebben luiden dat de literatuur zelf ‘eigenlijk niet meer van deze tijd is’, dat wil zeggen de literatuur die zich niet wenst aan te passen aan de eisen van de vluchtige consumptie, de krant, het audiovisuele medium, van de commercie, van het spektakel?

De opvatting van Mertens dat de literatuur zich niet moet aanpassen aan de dominante opvattingen, is een hoopvolle gedachte in deze tijd van commercialisering. De literatuur zou een vrijplaats kunnen zijn waar de verbeelding een kans krijgt, waarin geëxperimenteerd wordt met andere mogelijkheden. Een verwante gedachte werd onlangs geuit door Arie Storm in Brands met Boeken. Hij zei daarin dat het in de literatuur gaat om het zoeken van de waarheid. Een schrijver dient niet te poseren met zijn talent, maar vanuit zijn hart en ziel zijn levensvisie neer te schrijven.


Ik sluit af met het lied Voor altijd jong waarin waarheidszoeker Freek de Jonge zingt dat God u mag behoeden, dat uw wensen mogen uitkomen en dat u voor altijd jong mag blijven. Dat daaraan ook in 2014 géén einde mag komen, dat wens ik van harte toe.

Recensie: Marie (2013), Christophe Vekeman



Over moord en doodslag valt meer te zeggen dan over geluk

Op de valreep hier een bespreking van de roman die ik op Recensieweb als mijn ontdekking van 2013 bestempelde. Ik koos vorig jaar Een uitzonderlijke vrouw van Christophe Vekeman (1972) als het beste boek van 2012. Dit jaar valt deze auteur opnieuw zeer bij mij in de smaak met een roman over een andere vrouw, namelijk Marie, het tiende boek van Vekeman inmiddels. Volgens de verteller in het boek, een jonge, maar wat vreemde dokter, is Marie het liefste meisje van de wereld. Tot haar dood had hij twee jaar lang het genoegen samen te leven.

Over die gelukkige periode horen we helaas weinig, maar daarover valt al sinds Tolstoj weinig over te zeggen. De ik-verteller wendt zijn blik naar het dorp Abraham, dat gezien de omslag in het westen van de Verenigde Staten gesitueerd zou kunnen worden. Eerst schetst hij een rondborstig portret van de dikke baas in dat dorp, Steven Blanker, die zowel caféhouder, burgemeester en als politiechef is. De zwaargewicht is niet al te gelukkig getrouwd, draagt ’s nachts een babydoll en heeft twee zonen, Karla staat hevig aan zijn snikkel trekkend achter de tap en Arthur vaak de hort op is en nog zelden thuiskomt, maar wel andere dorpelingen observeert. Steven Blanker blijft toch vooral in het geheugen van de lezer hangen omdat hij aan een verschrikkelijke buikpijn lijdt, die hij zelfs probeert kwijt te raken door zijn vrouw te vermoorden, hetgeen de inleiding vormt tot andere moordpartijen, ook op zoon Karla.

De ik-verteller bouwt het plot verder uit met behulp van de twee secondanten van politiechef Blanker: William, die getrouwd is met Sabrianala en Mex die samen met de gehandicapte Patsy door het leven gaat, allemaal kleurrijke personen met hun eigen problematische binnenwereld hebben. Zo moet de beeldschone Sabrinala, vrouw moet zich vanwege overmatige beharing dagelijks scheren en bevredigt Patsy haar man vanuit haar rolstoel. De alwetende verteller weet de verschillende lijnen mooi met elkaar te verbinden.

Het is de vraag of de verteller wel zo betrouwbaar is, want het huwelijk met Marie, die hij ooit langs de weg oppikte omdat ze doodsbang was voor haar gewelddadige vriend Marc, heeft, anders dan in zijn hoofd, nooit plaatsgevonden. Haar dood daarentegen op zesentwintigjarige leeftijd lijkt wel een feit, een fictioneel feit althans.

Het is een burleske toestand in het café van Blanker, dat genoemd is naar countryzanger Jimmie Rodgers en waar, als Blanker aanwezig is, alleen diens muziek wordt gedraaid. De oude Brooklyn komt na de dood van Karla solliciteren naar de functie van barkeeper. Blanker vertelt hem een en ander over de werkzaamheden en vraagt de man daarna nog eens om de instructies te recapituleren. Hoeveel keer moest nou de vloer geveegd worden opdat hij schoon was. Brooklyn moet heel hard nadenken, maar geeft steeds een verkeerd antwoord. Tenslotte zegt Blanker dat hij de vloer niet moet vegen maar moet dweilen.

Zo zijn er meer sterke anekdotes die het verhaal tot leven brengen. Ik denk aan Bartje, het zoontje van Sabrinala en William die na de dood van zijn vader - na een val van het dak in een poging de bal van zijn zoon te pakken die daar lag – met de bal in de kerk zit, terwijl zijn moeder doodsbang is dat de bal uit zin handen valt en straks op de stenen vloer stuitert.   

Sabrinala heeft zo haar eigen vermoedens over de dood van haar man, die zich meer tot Mex dan tot haar voelde aangetrokken:
‘Zoals het erg moeilijk is te accepteren dat iemand, laat staan iemand uit je dichtbije kennissen- of vriendenkring, je lievelingskostje niet lust en het naar eigen zeggen zelfs niet naar binnen krijgt gewerkt, en zoals het keer op keer verrassend is en zwaar ontgoochelend te moeten vaststellen dat in cultureel en geestelijk opzicht ogenschijnlijk sterk aan jou verwante medemensen er als puntje bij paatje komt een volledig andere overtuiging op na blijken te houden aangaande bijvoorbeeld kunst of politiek dan jijzelf, ongelooflijk genoeg, zo plegen ook de mensen met een groot geheim er altijd weer van uit te gaan dat zowat iedereen een minstens even groot geheim als dat van hen met zich meedraagt, iets wat hij koste wat het kost verborgen wil houden en waarvan de ontdekking door derden – want zo groot is de schaamte – potentieel levensbedreigend is.’  

Het wachten is eigenlijk op de komst van de dokter, want beginnen met een dokter en vervolgens de buikpijn van Steven zo levend beschrijven, vraagt natuurlijk om een samenkomst van beide. In het laatste deel komt inderdaad de dokter op bezoek, gadegeslagen door Arthur. Er is dan al zoveel geweld gepleegd dat het niet voor de hand ligt dat er meer doden zullen vallen, al komt daarmee het slapstick gehalte dichtbij.

De taal waarin dit gewelddadige verhaal gegoten is, is fantastisch om te lezen met zinnen, zoals bovenstaande uit het hoofd van Sabrinala, die ik soms drie keer moest lezen om door te dringen tot de inhoud. Erg was dat niet. De taal is zo rijk dat het een genoegen is die vaker dan eens in te nemen. Tussendoor volgen korte passages als om evenwicht te herstellen. Deze geven echter andere informatie, staan buiten het verhaal en verwijzen naar andere romanopvattingen, zoals naar Tsjechov, die vond dat als in een stuk een pistool werd getoond, die ook gebruikt diende te worden.

Het was boeiend eerdere recensies over Marie te lezen, omdat de roman niet zo eenduidig te interpreteren is. Cathelijne Esser komt in haar blog met een scherpzinnige duiding van de roman, die niet alleen een verhaal is maar een verhaal in een verhaal over rouw. Aan het eind mengt zich de dokter zich weer in het verhaal. Misschien bestaat zelfs Marie niet. De dood ligt inmiddels alweer zoveel jaar achter hem. In een van de korte passages zegt de verteller: ‘Alles wat voorbij is, had net zo goed niet gebeurd kunnen zijn, en alles wat nooit heeft plaatsgevonden, zou deel kunnen uitmaken van het verleden. Het doet er niet toe. Wat telt is de toekomst.’

Wat is dan die toekomst? De tijd waarin de pijn zich heeft opgelost? Voor de dokter komt het zo ver niet. Stilist Vekeman speelt met de werkelijkheid in dit knap geconstrueerde verhaal met kunstgrepen eromheen. Hij kritiseert de romanopvatting van Flaubert over de alomtegenwoordige en toch onzichtbare schrijver en die van Willem Frederik Hermans met zijn mus op het dak. Daarmee is deze roman, behalve wat betreft de inhoud en stijl, ook in een verder liggend perspectief boeiend.

Rob Bijlsma en Machiel Bosch over Planken Wambuis, VPRO-Boeken, 22 december 2013



Roofvogelman en natuurbeschermer over bijzonder natuurgebied.

Planken Wambuis is een ruig gebied op de Veluwe bestaande uit 2100 hectare, waarvan een derde deel ontoegankelijk voor het publiek. Roofvogelspecialist Rob Bijlsma doet er al veertig jaar veldwerk en natuurbeschermer Machiel Bosch loopt er vaak rond. Hij kwam in contact met Bijlsma nadat hij op zijn paard een fietsspoor volgde dat leidde naar de boom waaronder Bijlsma zat. Ze raakten in gesprek. Bijlsma was al sinds de vorige dag in touw en had niets meer gedronken. Sinds de ontmoeting wordt Bijlsma op het voor wandelaars verboden derde deel van het terrein gedoogd. Ze leverden een bijdrage aan een nieuw boek over dit natuurgebied met de intrigerende titel Planken Wambuis: wild en bijster land.

Bosch woont er al vanaf 1992. Het gebied is in de loop van de tijd veranderd. Eerder was het arm, nu ligt er een grasmat. Hij vertelt dat hij een bijna religieuze ervaring beleeft als hij door het mosachtige soms mistige terrein loopt, vooral tegen de avond als hij alleen is.
Bijlsma, die net als de vorige keer, toen hij in dit programma over roofvogels kwam vertellen (zie hier), weer een verrekijker draagt, is die ochtend in het donker naar de tv studio vertrokken en kwam langs de Oostvaardersplassen, die de nieuwe wildernis wordt genoemd. Het kaalgevreten terrein, dat vroeger bosachtig was, kan hem niet bekoren. Ook de Planken Wambuis is geen wildernis, zegt hij. Er wordt hout gekapt en er lopen snelwegen doorheen waardoor het zelfs ’s nachts onmogelijk is om ransuilen te horen.

Wim Brands toont een natuur opname uit Planken Wambuis. Daarin zien we een vossenmoeder met haar zogende kinderen, raven die zich tegoed doen aan een kadaver van een wild zwijn, sperwers en een zeearend.
Bosch vertelt dat aangereden wild voor de vogels in het natuurgebied wordt gelegd. Bijlsma vult aan dat raven elkaar waarschuwen dat er weer proviand is aangekomen. De sperwers zijn inmiddels verdwenen, haviken stalen hun nesten leeg.
Bosch noemt de Planken Wambuis een schraal gebied waarin dieren met moeite overleven. Bijlsma zegt dat er elk jaar weer een juveniele zeearend komt, aangetrokken door de raven.

Bijlsma is net terug uit Afrika. Met drie man bekeken ze bloeiende acaciabomen in de Noord Sahel waar vogels zoals de bergfluiter en de spotvogel overwinteren die in de zomer bij ons te zien zijn.

Brands begint nog eens over de nieuwe wildernis van de Oostvaardersplassen.
Bosch zou die term niet willen gebruiken, maar erkent dat het lekker bekt en dat het is waar men in dit gestreste land behoefte aan heeft, een ruig natuurterrrein dat gemakkelijk toegankelijk is, waar men even kan bijkomen van alle drukte.
Bijlsma zegt dat er geen vogel meer voorkomt in het kaalgevreten gebied, dat het een cultuurlandschap is, gunstig voor ganzen. Zelf zou hij het willen afsluiten, de natuur zijn gang laten gaan, zodat er weer oernatuur ontstaan, zoals in het Beekbergenwoud in de IJsselvallei.
De roofvogelman is toch al niet blij als hij een mens ziet opdoemen in zijn eigen Planken Wambuis.


maandag 23 december 2013

Walter van den Berg over Van dode mannen win je niet, VPRO-Boeken 22 december 2013



Een levensecht verhaal over de ingewikkeldheid van huiselijk geweld

Wim Brands hoorde Walter van den Berg ooit voorlezen uit zijn roman Van dode mannen win je niet dat over huiselijk geweld gaat en vond dat zo treffend dat hij hem uitnodigde in zijn programma. Hij noemt de toename van dat huiselijk geweld, maar gaat daar helaas niet verder op in en beperkt zich tot de roman.

De stiefvader van Walter van den Berg stond model van de hoofdpersoon die de enige stem is in de roman. Zijn moeder leerde de man kennen, een jaar na de dood van zijn eigen vader, in het bordeel in Amsterdam waar zij bedrijfsleidster was. Hij ging niet met een meisje mee naar boven, maar kwam een week later bij hen thuis met een pan haché. Van den Berg, die toen dertien jaar oud was, kenschetst hem als grof, charmant en groot, met een dikke buik en een sterke uitstraling. Het type van een sjacheraar die leefde van een uitkering.

Het ging mis nadat de man zich had ingegraven in het gezin, dat, behalve Walter en zijn moeder, ook nog uit een zusje bestond. Pas dan kon hij weer de foute dingen zoals drinken, waarmee hij een half jaar gestopt was. Na het begraven van de overleden puppies van hun beider honden, begon de man te slaan. Hij vertelde de moeder dat hij zijn ring eerst afdeed omdat hij niet wilde dat de buren het wisten.

De opmerking van Brands dat dit berekenend klinkt, wordt door Van den Berg beaamd. Wellicht was de man een psychopaat. Op de vraag hoe de relatie afliep, antwoordt Van den Berg dat zij op een winterdag vluchtten, nadat de man een fles sterke drank uit de ijskast had gehaald. Ze kwamen terug met sterke mannen bij zich. Het huis was kort en klein geslagen behalve de kamer van Walter. De man had zelfs zijn kleren opgeruimd, die hij voor de vlucht niet had meegenomen.
 
Van dode mannen win je niet is geschreven vanuit het perspectief van de man. Jeroen Vullings was in VN lovend over de roman, waarin Van de Berg onder de huid kruipt van de dader. Hij kon het boek slechts schrijven na de dood van zijn moeder omdat het haar anders teveel pijn had gedaan. Behalve dat hij meedeed aan het haatverbond van zijn moeder en zijn zus, voelde Walter namelijk ook liefde voor de man, meer dan vroeger voor zijn eigen vader.

Door de roman te schrijven probeerde Van den Berg de man beter te begrijpen. Hij schreef na de dood van zijn moeder al in zijn weblog dat hij later over zijn verleden wilde publiceren, maar deed dat al meteen. Hij werkte lang aan het boek omdat hij de stem moest zoeken. Eerder schreef hij vanuit het slachtoffer maar dat werkte niet.

Brands noemt het ingewikkeld dat de relatie met geweld en liefde gepaard ging.
Van den Berg spreekt van een geheim. Eerder vluchtten ze al een keer naar familie van zijn eigen vader maar moesten toen opening van zaken geven, hetgeen niet gemakkelijk was. Die keer kwam het weer goed met de relatie.

Brands vraagt of de man nog leeft.
Van den Berg zegt dat hij om het leven kwam na een storm, waarin hij samen met anderen in een viskotter de zee was opgegaan. Hij spoelde dood aan in Den Helder.




Filmrecensie: Melancholia (2011), Lars von Trier



Twee zussen, tegenpolen als zon en maan, in twee verschillende bedreigende situaties

Voor de verandering begint een film eens niet met tekst maar met een lange serie surrealistische filmbeelden van een golfterrein, ondersteund door gedragen muziek, geïnspireerd op Tristan en Isolde van Richard Wagner. De beelden vormen samen een verhaal van een vrouw die rondloopt op de golfbaan, onder invloed staat van de planeten en elektriciteit afgeeft. De kijker wordt ermee in een zwaarmoedige stemming gebracht, die doet denken aan het verhaal over maanziekte uit Kaos (1984) van de broers Taviani.

De volgende scène is heel wat aardser. Het bruidspaar Justine en Michael komt per limousine aan bij het kasteel waar het feest zal plaatsvinden. De bak is zo lang dat die nauwelijks de bocht kan maken. Michael roept in plat Amerikaans de chauffeur, die hem niet verstaat, dat hij nog wat wat meters naar achteren kan. Daarna neemt hij zelf plaats achter het stuur. Tenslotte is het Justine die de manoeuvre tot een goed einde brengt.

De scène is het begin van het eerste deel dat over Justine handelt. Ze is een dramaqueen, die worstelt met haar gevoelens en die niet onder stoelen of tafels steekt. Haar zus Claire die op het kasteel woont en samen met haar man John ceremonie leidt, hebben heel wat met haar te stellen. Justine onttrekt zich regelmatig van de festiviteiten, niet in de laatste plaats omdat haar ouders erg op elkaar zitten te vitten. Ze zoekt troost bij haar paard in de stal, neemt een bad en houdt de stand van de sterren nauwlettend in de gaten. Michael probeert de moed erin te houden, maar als Justine, eenmaal in de bruidssuite, weer de hort op gaat dan is voor hem de grens bereikt. Hij vertrekt, niet eens tot verdriet van Justine. Zij wil doodgraag steun, maar krijgt het niet. Ze vertelt haar moeder over haar angst dat ze niet eens meer kan lopen, maar die zegt nogal hard dat ze maar moet zwalken en eens uit haar droom moet komen.

In het tweede deel nodigt Claire haar zieke zus uit om langs te komen op het kasteel. Het bezoek speelt zich af tegen de achtergrond van een bedreiging van de aarde door de planeet Melancholia. John heeft becijferd dat de planeet langs de aarde zal scheren maar erg gerust is hij er niet op, want hij haalt extra proviand en waarschuwt Justine dat ze niets tegen Claire moet zeggen die erg ongerust is. Justine gaat ’s nachts naar buiten om een maanbad te nemen, hetgeen door Claire opgemerkt wordt. Haar zoon Leo heeft een instrument gemaakt waarmee hij de afstand van de planeet tot de aarde kan bepalen. De paarden in de stal zijn onrustig. In eerste instantie lijkt het gevaar afgewend, maar dan ziet Claire dat Melancholia terugkomt. Ze roept haar man en vindt hem ten slotte dood bij de paarden. Het is Justine die koel blijft, haar kracht toont en zich over haar zus ontfermt. Helaas is het einde gemaakt en zwaar aangezet met aanzwellende klanken. Dat doet af aan de sfeer die Von Trier wist te scheppen.  

De beelden zijn superieur, bijvoorbeeld van de bruid die in haar lange witte jurk met een caddy over het terrein scheurt of aan het eind van de avond als een prinsesje nooit genoeg gedesillusioneerd maar misschein ook wel opgelucht op een stapel stoelen zit (zie foto). De groenblauwe kleuren en de vele violen doen het goed in zo’n omgeving.  
Melancholia is een stijlvolle film, die rustig afgewikkeld wordt, soms een beetje te rustig waardoor het helaas gemaakt wordt. Daardoor valt het eindoordeel in dit drama over twee zussen die tegenpolen zijn en elk hun eigen bedreigingen kennen, toch tegen.   

Hier de trailer.