Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



maandag 9 maart 2015

Maarten ’t Hart over Magdalena, VPRO-Boeken, 8 maart 2015



Liefde voor een moeder met een sterke waan

De uitzending van VPRO-Boeken met Maarten ’t Hart over zijn nieuwe boek Magdalena werd op teletekst aangekondigd met het citaat: ‘de wonderlijke eigenaardigheden en de onwrikbare rotsvaste zekerheid des geloofs.’ Dit gaat over zijn moeder, die 92 jaar oud werd, streng religieus was opgevoed en daardoor een waan ontwikkelde waarmee ze het leven van haar gezin niet gemakkelijk maakte. ’t Hart hield desondanks zeer veel van haar. Hij hield zijn belofte aan haar gestand om pas na haar dood over haar leven te schrijven en vertelt over zijn relatie met haar op zijn bekende nuchtere, humoristische wijze.

Zoals vaker vraagt Wim Brands naar de eerste indruk.
’t Hart ziet zichzelf als tweejarige heel gelukkig in het zand spelen naast zijn moeder aan de Nieuwe Weg in Maassluis.

Daarmee is de weg vrij om het over haar gekte te hebben. Die bestond eruit dat ze haar man bespioneerde die op de begraafplaats werkte. Ze verdacht hem ervan dat hij daar een mokkel had. Het ging zelfs zo ver dat ze dacht dat hij het mokkel met haar fiets in een pas gedolven graf verborg. Dit waanbeeld was sterk verankerd in haar karakter. Ze schaamde zich er ook voor. Volgens ’t Hart komen wanen op de Zuid-Hollandse eilanden met hun starre calvinistische geloof veel voor. Ook haar broers en zussen hadden er last van. Oom Cor ging naar zijn zoon in Texas om hem te zeggen dat zijn pasgeboren kind niet van hem was. De moeder van ’t Hart vond dat hij gek was, maar onderkende de waan niet bij zichzelf.

Brands vindt het opmerkelijk dat ’t Hart dan toch zoveel van zijn moeder hield.
’t Hart wilde doen wat zij deed, zoals breien en naaien. Hij deed dat ook, al mocht hij niet op de naaimachine. Hij weet nog steeds niet precies waarom niet, want zijn zusje mocht dat later wel. ’t Hart spreekt van een krachtige identificatie met haar, die zo ver ging dat hij ook haar kleren wilde dragen. Tijdens een travestieten bijeenkomst van de NVSH in Amsterdam werd hij zich ervan bewust dat andere mannen dat ook hadden. Ze droegen allemaal de kleren uit de tijd van hun moeder. Daardoor begreep hij zich eigen gedrag beter.

Brands begint over het feit dat zijn moeder niet aanhankelijk was.
’t Hart beaamt dat ze nooit knuffelde, maar dat dit de identificatie juist bevorderde. Hij herinnert zich ook niet dat hij dit van haar verlangde. Hij accepteerde haar zoals ze was. Zij heeft hem zelfs nooit gezoend en wilde ook niet praten over de liefde voor haar man. Die was er natuurlijk, zei ze kortaf, al geloofde ’t Hart dat niet.

Brands zegt dat ’t Hart zelf ook niet de gemakkelijkste was en zichzelf in het boek niet spaart.
’t Hart geeft toe dat hij een pestkop kon zijn die het tafelkleed met kopjes erop van de tafel trok en daar veel plezier aan beleefde. Hij heeft daar verder nooit over nagedacht. Een kind pest, zoals ook dochter Nick Funke over haar vader Bordewijk heeft geschreven. Dat pesten duurde tot hij kon lezen. Dat is nog steeds alles voor hem.

Brands moest soms fragmenten teruglezen omdat hij niet kon geloven wat er stond, bijvoorbeeld over het varkensbeest.
Dat was het koosnaampje van zijn moeder voor ’t Hart, hoewel ze dieren haatte. Ze noemde hem ook wel vies varken, omdat hij graag in sloten sprong.

Brands is zeer verbaasd dat ze bij hun thuis de tanden niet mochten poetsen.
’t Hart zegt onderkoeld dat dit niet ongebruikelijk was. Het was de bedoeling dat men nog voor het huwelijk een kunstgebit had en daarmee nooit meer kiespijn. ’t Hart deed hier echter niet aan mee. Met het geld dat hij bij de slager verdiend had, ging hij met zijn zusje naar de tandarts, die hevig vloekte toen zijn zusje haar mond met rotte tanden opendeed.

Brands vindt het beklemmend en vraagt of ’t Hart nooit wanhopig werd, maar dat is niet zo. Het is allemaal even monter opgeschreven. ’t Hart vertelt dat hij heel graag naar de HBS wilde en daarom moest bedelen. Zijn moeder wilde liever dat hij na de lagere school bij een baas ging werken.

Brands vraagt wat het moeilijkst voor ’t Hart was om te beschrijven.
Daar moet ’t Hart over nadenken. Het was in het algemeen wel moeilijk om zijn liefde voor zijn moeder te verbinden met haar gekte.

Brands zegt dat hij daar uitstekend in geslaagd is. Hij haalt een passage aan het eind van het boek aan, waarin de moeder regelmatig op bezoek gaat in het verzorgingstehuis, maar daar geen koffie kan drinken vanwege de Parkinson in haar handen. Brands vindt het ontroerend dat ze zich erbij neerlegt dat ze geen rietje krijgt. ’t Hart zegt dat het achteraf stom is dat ze haar geen rietje meegaven.

Op de vraag wat ’t Hart nog van haar zou willen weten, antwoordt hij dat hij meer zou willen weten over haar jeugd. Wat er toch gebeurd is waardoor ze die gekte opliep? 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen